Overheden, vergeet morgen de thuisverpleging niet

Overheden, vergeet morgen de thuisverpleging niet

Er was de afgelopen weken ogenschijnlijk maar één prioriteit: de COVID-patiënten verzorgen. Het grootste deel van de vaak genoemde ‘kwetsbare’ groep van ouderen leeft thuis. Volgens de cijfers van 2018 (meest recent beschikbaar) verbleef in Vlaanderen in totaal 14% van de mannelijke bevolking van 85 jaar en ouder in een woonzorgcentrum, bij de vrouwen liep dat aandeel op tot 27%. 80% van de mensen van 85 jaar of meer leeft dus thuis en we kunnen ons minstens afvragen waarom de thuiszorg/thuisverpleging dan zo weinig aandacht krijgt.

Uit de cijfers van de 200 praktijken thuisverpleging die Mederi telt, goed voor zowat 1.300 verpleeg- en zorgkundigen die samen 35.000 patiënten verzorgen, blijkt dat er relatief weinig coronabesmettingen zijn binnen de thuisverpleging. Mensen zijn voorzichtig en onze verpleeg- en zorgkundigen doen er alles aan om zichzelf en hun patiënten te beschermen. Prachtig, toch? En dat met schaarse middelen.
 
Ondanks een beperkte voorbereiding werd snel duidelijk hoe flexibel de thuisverpleging zich heeft aangepast en hoe creatief de sector omging met de weinig beschikbare middelen. In alle stilte werd er naarstig verder gewerkt. Want de zorg aan huis bij diabetespatiënten, kankerpatiënten of patiënten met een andere zorgvraag bleef verder lopen. Waar er zorgen op een lagere frequentie worden gezet of tijdelijk worden gestopt, wordt de vrijgekomen capaciteit naar COVID-zorg geleid. Dit in de vorm van cohortrondes, schakelzorgcentra of woonzorgcentra waar de zorg werd opgestart of de personeelscapaciteit sterk gedaald is. Toen de toevloed van coronapatiënten groot werd, ontdubbelden praktijken de patiëntenzorg in zorg aan (vermoedelijk) besmette patiënten en niet-besmette patiënten. De thuisverpleging toonde zich breed inzetbaar en uiterst professioneel. Zorg organiseren en daarbij stromen van patiënten volgen, pathologieën bundelen: het mag gerust deel uitmaken van de eerstelijnszorg van morgen.
 
Daar waar overheden nog tijd nodig hadden om beslissingen te nemen, toonde de sector zich strijdbaar en werden problemen opgelost. Er werd niet gewacht of getalmd; er werd gehandeld ondanks de onduidelijke omstandigheden.
 
De thuisverpleging heeft aangetoond dat er kan samengewerkt worden. Op lokaal en provinciaal niveau ontstonden er dienstoverschrijdende initiatieven, waarbij werd bewezen dat de sector een grotere zelfsturende kracht heeft dan hetgeen we meestal te lezen krijgen. Dat heeft voor- en nadelen, maar een lokale samenwerking over organisaties heen, waarbij mensen en middelen gepoold worden om samen goede zorg te verlenen, mag de norm worden. Zelfstandigen en loontrekkenden, private diensten en gemeentebesturen, ziekenhuizen en thuiszorg; plots was er amper een drempel en gingen ze samenwerken in kleinschalige initiatieven als schakelzorgcentra en cohortrondes., al dan niet in een groter organisatieverband.

Kleinschaligheid kreeg een aantoonbare meerwaarde voor de kwaliteit van de zorg en de aantrekkelijkheid van het werk. Tijdens de crisis gingen ook woonzorgcentra op zoek naar vaste teams van zorgverleners die verantwoordelijk werden voor kleinere en vaste groepen van bewoners. Laat het kleinschalige organiseren en aansturen, al dan niet in een groter organisatieverband, maar de norm worden.
 
Zoals in iedere crisis werden bestaande competenties duidelijker en scherper gesteld. Zeer goed werd nog beter en minder goed werd slecht. In vele zorgorganisaties werd het SNIF-syndroom (Staat Niet In mijn Functiebeschrijving) even afgeschud en werd het voor velen duidelijk dat een crisis als deze verschillende invalshoeken heeft en dus een brede aanpak vereist. Meer nog: het vereist een sectoroverschrijdende aanpak.
 
Niets weerhoudt ons ervan morgen met een meer open blik te kijken naar een flexibelere invulling van de zorgtaken, rekening houdend met de talenten van zorgmedewerkers. Niets weerhoudt ons ervan om vroegere modellen van samenwerking in vraag te stellen, overboord te gooien en te vervangen door andere. Niets weerhoudt ons ervan om ethisch verantwoord zorgondernemerschap meer te definiëren en ons nog duidelijker af te zetten tegen zij die de zorg louter zien als een financiële melkkoe.
 
De thuisverpleging, en bij uitbreiding de thuiszorg, heeft aangetoond dat ze sterk en flexibel is. Zorgverstrekkers kregen de regie over hun eigen planning. Vertrouwen op de professionaliteit van zorgverstrekkers door hen autonomie te geven, is een recept voor morgen. Dat moet hand in hand gaan met een beleid gericht op het kanaliseren van werkdruk, die voor de coronacrisis al hoog was, en een correcte vergoeding.
 
De thuisverpleging heeft ook veel geleerd over zichzelf en over zijn positie. De samenwerking binnen nieuwe zorgstructuren kwam tot stand vanuit een soort zelfsturing en de wil om problemen op te lossen. De komende dagen en weken zal er terug een luide roep te horen zijn om alles te doen zoals voordien. De bakens zijn echter verzet en dwingen ons tot de vraag of we dat ‘voordien’ nog wel willen in de zorg van morgen.
 
Overheden, vergeet morgen de thuisverpleging niet.

Gepost op 03 mai 2020

Autres nouvelles